Na de vastentijd aan het snoep
Pasen was in mijn kindertijd een geweldig mooi feest. Niet zozeer vanwege de herrijzenis van Jezus Christus, hoewel ik die betekenis als misdienaar wel plichtsgetrouw meevierde.
Nee, het was vooral bijzonder omdat je als kind dan na een periode van 40 dagen vasten eindelijk je snoeptrommeltje mocht openen. Van aswoensdag tot Paaszaterdag was dat immers volgens het katholieke geloof niet toegestaan. Dan kon je wel eens problemen krijgen als je later in de hemel zou aankloppen, en die wilde je natuurlijk voorkomen.
Voor het glazuur van de tanden was Pasen niet zo best, de tandartsen hadden het na dat feest een stuk drukker. Dat werd nog extra in de hand gewerkt door de chocolade eieren die je op Paaszondag kreeg van je ouders en grootouders. Maar ja, het principe dat je van alles ‘met mate’ moest genieten, maakte op een kind weinig indruk.
De aanloop naar Pasen was apart. Als misdienaar ging ik met de pastoor naar de zieken in het dorp. Ik geloof dat ik ook nog een paar religieuze liedjes heb gezongen. Of dat de zieken enige verlichting gaf, weet ik niet. Als toegift prevelden we een paar weesgegroetjes.
Op Goede Vrijdag trokken we in de kerk langs de kruisweg, langs 15 schilderijen waarop de verschillende ‘staties’ van de bloedige kruisiging van Jezus werden afgebeeld. Dat was geen pretje, want het verhaal was immers dat de ‘held’ van ons geloof aan het kruis zijn laatste adem uitblies. Geen slotscene waar je vrolijk van werd.
Die dag moesten we ook nog de biechtstoel in. Dan zat je daar als kind achter een gordijn, en achter een houten raam met kleine gaatjes zag je heel vaag de pastoor die vroeg welke zonden je wilde opbiechten. Ach, ik fantaseerde maar wat. Dat ik niet aardig was geweest tegen m’n zus – hetgeen ik niet uitgesloten acht – en nog een paar van die dingen. Dan moest je als ‘penetentie’ een paar gebedjes in de bank in stilte prevelen, en dan was je ziel weer schoon. Ik dacht, dan kan ik met een extra goed geweten morgen aan het snoep beginnen.
Die dag moesten we ook nog de biechtstoel in. Dan zat je daar als kind achter een gordijn
Pasen had meer bijzondere momenten. Op zondag naar de hoogmis. Niet zozeer m’n favoriete bezigheid maar als misdienaar had je zo je bezigheden, zoals klingelen met de bellen, dat was toch wel een leuk toneelstukje. Het was bovendien de gewoonte dat de mensen dan in nieuwe kleren daar naar toe gingen. Vandaar het gezegde ‘op z’n Paasbest’. Het was eigenlijk een soort van catwalk, begeleid door de klanken van het kerkorgel. M’n moeder deed dat ook, die liet zich bij de naaister van het dorp een nieuwe jurk maken en ik kreeg een nieuwe broek en hemd, zover ik weet merkloos.
Zondagmiddag voetballen op straat en om 3 uur nog eens naar het ‘heilige lof’ omdat we de herrijzenis van Jezus goed moesten vieren. Dat was toch echt meer dan genoeg kerk op een en dezelfde dag voor een kind.
Het eten was ook iets specialer die dag. Geen lamsbout, dat was te duur, maar wel kip of konijn. En daarna weer snoep, want die doos was in dik een maand flink vol geraakt. De maandag was het vervolg van de zondag, meubelboulevards bestonden nog niet.
Dat Paasverhaal is in feite heel merkwaardig. immers, eerst sterft de hoofdrolspeler de meest gruwelijke dood. Om dan twee dagen na zijn overlijden weer levend terug te keren op aarde. Heel knap, want dat heeft hem zover ik weet daarna niemand meer nagedaan. Het doet me er wel aan denken dat op het gebied van wreedheden in ruim 20 eeuwen nog weinig veranderd is. Toen was er al veel bloeddorstigheid en als je nu naar de situatie in Oekraïne kijkt, dan zijn we er nog niets vooruitgegaan. Ook nu worden mensen nog als beesten vermoord. Met daarbij ook nog de verwachting dat de slachtoffers niet zoals Jezus na een paar dagen alweer herrijzen.






