Oom Wanja door Toneelgroep Maastricht: De natuur van het onvermogen
Een hele kluif, zo zou je deze bewerking van oom Wanja door Toneelgroep Maastricht kunnen typeren. Voor de acteurs een uitputtingsslag met lange tekstpassages, verstilde aanwezigheid en geen ontsnapping uit de scène. Voor het publiek een ruim twee uur durende concentratieoefening, zonder pauze, zonder uitweg. Maar wie zich overgeeft, ontdekt dat deze ogenschijnlijke soberheid een rijkdom aan betekenis herbergt. Regisseur Michel Sluysmans serveert karigheid als een delicatesse: ingehouden beelden, weinig visuele prikkels, en in dat bijna lege landschap de taal van Anton Tsjechov, hier door Peer Wittenbols opnieuw gecomponeerd, die glinstert en weer wegzinkt. Soms lijkt deze Oom Wanja van Toneelgroep Maastricht op stilstaand water waarin plotseling een zonnevlek valt: even licht, even warmte, en daarna opnieuw de stilte.

Het verhaal is eenvoudig en tegelijk onuitputtelijk. Oom Wanja en zijn nicht Sonja hebben hun leven opgeofferd aan het landgoed van Sonja’s vader, een professor die carrière maakte in de stad. Wanneer hij na zijn pensionering terugkeert met zijn jonge vrouw Jelena, verschuiven de verhoudingen. Oude frustraties, stille verlangens en vergeefse liefdes komen naar boven. Wanja raakt verliefd, Jelena wekt hartstocht, de dorpsarts Astrov worstelt met zijn melancholie, terwijl Sonja in stilte blijft verlangen. Wanneer de professor het landgoed wil verkopen, lijkt hun bestaan plotseling zinloos. Wat volgt is geen klassiek drama, maar een langzaam imploderend universum van mensen die hun leven zien voorbijgaan zonder het te kunnen keren.
Als iets deze voorstelling typeert, dan is het de karigheid die rijk wordt uitgeserveerd in ingehouden visuele prikkels. Oom Wanja toont ons de natuur van het menselijk onvermogen. Opmerkelijk is daarbij de paradox die Michel Sluysmans blootlegt. Het toneelbeeld is kaal, koud, bijna onherbergzaam, terwijl in de tekst voortdurend wordt gesproken over bossen, aarde, seizoenen, het organische leven. De natuur is afwezig en tegelijk overal. Alsof de personages haar niet meer werkelijk kunnen ervaren. Zij verlangen naar een leven dat stroomt, maar zijn gevangen in verstarring.


Sluysmans brengt het wezen van Tsjechov tot leven door niet te verklaren, maar te tonen. Een gigantische stoel daalt neer en wordt tegelijk huis, herinnering en gevangenis. Een monumentale deur verschijnt als symbool van een uitweg die er niet is. De personages bewegen, spreken, drinken, verlangen – maar innerlijk blijven ze staan waar ze altijd al stonden. Het is de komedie van de immobiliteit: mensen die blijven bewegen en toch nergens komen, vastgeklonken aan hun omgeving, hun herinneringen en de kleine schaal van hun bestaan.
Wat deze interpretatie zo sterk maakt, is dat zij het stuk het heden binnenhaalt zonder het te belasten met modieuze verwijzingen. Geen geforceerde parallellen met geopolitieke conflicten, geen ideologische strijd. Hier geen helden, geen veldslagen, maar kleine levens, krabbelaars. Mensen die ploeteren, mislukken, zich verliezen in drank en zelfbeklag. Juist daardoor groeit de betekenis. Je kijkt niet naar de wereld, maar naar jezelf.

Niets is vermakelijker dan menselijke zelfdestructie. De dronkenschap van Wanja en dokter Astrov zorgt voor momenten van bevrijdende lichtheid. Jan-Paul Buijs geeft de arts een berustende helderheid en een onderhuidse onrust. Zijn Astrov is tegelijk scherp en uitgeput, een man die de wereld doorziet en juist daardoor steeds verder van haar verwijderd raakt. Het lachen in de zaal is soms ongemakkelijk. Er zijn momenten waarop een deel van het publiek uitbundig reageert, terwijl een ander deel stil blijft. Alsof niet iedereen beseft dat achter de komedie een existentiële ernst schuilgaat. Voor sommigen blijft theater synoniem met vermaak; voor anderen is het een confrontatie.
De vrouwen in deze voorstelling vormen het tegengewicht voor die verstarring. Jelena verschijnt niet zozeer als verleidster, maar als spiegel waarin de mannen hun eigen gemis herkennen. Sonja, gespeeld met een ontroerende eenvoud, draagt het stuk naar een ander register. Haar verlangen is niet spectaculair, maar hardnekkig. Zij belichaamt de mogelijkheid van berusting zonder cynisme. In een wereld die lijkt stil te staan, is zij degene die, hoe klein ook, de tijd nog laat voortgaan.
Misschien helt deze trage komedie op een enkel moment iets te ver over naar koddigheid. Maar dat is een detail, een kanttekening die nauwelijks afbreuk doet aan de intensiteit van het geheel. De humor heeft een functie: zij bevrijdt het stuk op gezette momenten van zijn zwaarte en geeft de geest ruimte om te laten indalen wat getoond wordt.


Alleen een topcast kan in deze verstarring overeind blijven. Jeroen Spitzenberger draagt de voorstelling met een indrukwekkende combinatie van ironie, wanhoop en kwetsbaarheid. Zijn Wanja is een man die zich plotseling bewust wordt van de verspilde jaren en die ontdekking met een mengeling van ontreddering en zelfspot draagt. Zijn spel is groot wanneer de drank spreekt en klein wanneer de stilte het overneemt. Ook de professor, vaak zwijgend aanwezig, vertegenwoordigt juist door dat zwijgen een verstikkende autoriteit. Zijn aanwezigheid alleen al bepaalt de levens van anderen. Iedereen blijft op het podium, zelfs wanneer zij niet spreken. Zij worden schimmen van hun eigen bestaan, veroordeeld tot aanwezigheid.
De bewerking van Wittenbols verdient een bijzonder compliment. Hij laat het stuk eigentijds klinken zonder de ziel van Tsjechov te verliezen. De taal is helder, muzikaal en doordrongen van melancholie en mededogen. Het resultaat is een tekst die moeiteloos resoneert in het heden. Het is bijna onvoorstelbaar dat er meer dan een eeuw ligt tussen schrijver en toeschouwer.
Misschien is dat het grootste geheim van deze voorstelling: Tsjechov blijft overeind. Zijn wereld is de onze. Geen botsende ideologieën, maar de dagelijkse strijd met zinloosheid, mislukking en verlangen. De mens als non-valeur en toch als wezen dat blijft hopen. Kunst tilt het tekort op en maakt het draaglijk.
Wanneer het licht dooft en de stilte terugkeert, besef je dat er niets is opgelost. Maar die ene zonnevlek op het stilstaande water is genoeg geweest om weer verder te kunnen.



















































