Chapeau TV|Kunst & Cultuur

Kop in de Wolke

tekst Ludo Diels

 Meer dan veertig jaar lang zong Ummer d’r Neaver in het Kirchröadsj over het leven zoals het zich iedere dag aandient. Over vriendschap, liefde, zonderlinge figuren en de vrolijke chaos van alledag. Juist daardoor groeide de band uit tot veel meer dan een carnavalsfenomeen. De liedjes werden herinneringen die mensen met zich meedroegen, ook ver buiten Kirchroa. De jukeboxmusical Mit d’r Kop in de Wolke laat zien waarom die muziek nog altijd zoveel mensen raakt.

De jukeboxmusical vertelt het verhaal van de twee boegbeelden van Ummer d’r Neaver, Marc Hermans en Joost Meijs. Nadat zij samen zijn gestorven, krijgen zij van een vrouwelijke plaatsvervanger van God (Vivian Lataster) de kans nog één keer terug te keren naar het leven dat hen zo dierbaar was. Vanuit de hemel kijken ze terug op hun gloriejaren en zien ze hoe hun muziek door een nieuwe generatie wordt omarmd. Het verhaal is even lichtvoetig als ontroerend en draait uiteindelijk om de vraag hoe vriendschap, liefde en muziek de tand des tijds weten te trotseren?

Onverwacht en onvermoed werd ik tijdens de voorstelling in het Kerkraadse theater midscheeps geraakt. Door de liedjes, door de mensen op en rond het podium, maar vooral door het besef van wat deze muziek in al die jaren heeft losgemaakt. De ene klassieker volgt de andere op. Tante AnnieTi ta tatoeasjOp jidder dekseltje past e pötje en zelfs de rap waarmee Ummer d’r Neaver ooit de landelijke televisie haalde passeren de revue. Opeens realiseerde ik me hoe vaak die liedjes ook mijn eigen levenspad hadden doorkruist. Als jongen die in Kerkrade opgroeide, hoorde ik ze vooral tijdens de befaamde Herrensitzung en Galasitzung. Tijdens de vastelaovend klonken ze uit cafés, feesttenten en luidsprekers op straat. Ze hoorden bij de stad zoals D’r Joep, de geur van schmink, pils en confetti. Pas tijdens deze voorstelling besefte ik hoe diep die muziek zich al die jaren in mijn eigen herinneringen had genesteld en deel was geworden van mijn levensgeschiedenis.

Met Ummer d’r Neaver in de wolke 

Goede streekmuziek vertelt zelden alleen iets over een streek. Ummer d’r Neaver bezong weliswaar het leven in het sappige Kirchröadsj, maar schreef in werkelijkheid over vriendschap, vergankelijkheid, verlangen en de onbedwingbare behoefte om af en toe alle zorgen van je af te zingen. Daarom klinkt die muziek ook ver buiten Kirchroa verrassend vertrouwd. Het Kirchröadsj leeft, plaagt, ontroert en schmiert zoals alleen een moedertaal dat kan.

De liedjes gaan vaak over de banaliteiten van het leven. Over onderbroekenlol, misverstanden, cafépraat en de kleine dwaasheden die ieder mens kent. Juist daarin schuilt hun kracht. Wie om zulke verhalen lacht, lacht uiteindelijk ook een beetje om zichzelf. Dat is humor die verbindt.

Wie de liedjes uitsluitend hoort als carnavalsmuziek, mist misschien wel hun grootste kwaliteit. Achter de uitbundigheid schuilt een opmerkelijke tederheid. Achter de grap gaat vaak een verlangen schuil. Achter ieder feest leeft het weemoedige besef dat juist de mooiste momenten voorbijgaan. Misschien is dat wel de diepste betekenis van carnaval. Het jasje gaat uit, de dansschoenen aan en juist daardoor voelen we hoe kostbaar ons bestaan is. De banaliteiten van het leven blijken soms de kortste weg naar wat ons werkelijk bezighoudt.

De romanticus in mij moest tijdens de voorstelling denken aan een zin van Remco Campert: De zin van het leven is de zin om te leven. Die levenslust overviel me opnieuw in de tropische warmte van het theater. Ummer d’r Neaver heeft die gedachte altijd verstaan. Als er in Zuid-Limburg een band is die de zin van de onzin weet te verklanken, dan is het deze wel. In aanstekelijke melodieën, absurdistisch herkenbare situaties en het immer smakelijke Kirchröadsj plat.

De makers begrijpen gelukkig dat zulke gevoelens zich niet laten regisseren. Marc Hermans, Joost Meijs en Erik Hermans leggen de emotie precies daar waar zij thuishoort: bij het publiek. Daardoor krijgt de voorstelling sentiment zonder sentimenteel te worden. Nostalgie zonder kitsch. Het naderende afscheid hoeft nergens te worden aangezet. De muziek doet haar werk vanzelf.

Een prachtige vondst is dat Marc Hermans en Joost Meijs een groot deel van de voorstelling vanuit de hemel naar beneden kijken. Ze zien hoe hun liedjes worden gezongen door een nieuwe generatie, met Janine Kitzen als sopraan voor de balades. Ze kijken met zichtbaar plezier toe hoe hun muziek verder leeft. Alsof ze zelf al weten wat het publiek langzaam begint te beseffen. Goede liedjes hebben hun makers op een bepaald moment niet meer nodig.

Het is verleidelijk de spelers afzonderlijk te noemen. Ze spelen met zichtbaar enthousiasme, muzikaliteit en gevoel voor timing. Daarbij verdienen ook het regieconcept van Max Charlier, dramaturg Roger Lataster en de muzikale leiding van Jos Zegers een compliment. De enigszins verstopte muzikanten spelen met zoveel vanzelfsprekend plezier en precisie dat de liedjes nergens gedateerd klinken. Ze bruisen, ademen en klinken alsof ze gisteren zijn geschreven. Toch ontstaat de ware schoonheid pas wanneer alles samenvalt. De zeggingskracht van de liedjes. De vocale kwaliteiten. Het spelplezier. De choreografie. Een zaal die lacht, soms stil wordt, een traan wegveegt en vervolgens uit volle borst meezingt. Samen vormen zij iets wat groter is dan de optelsom der delen.

Aan het einde klinkt nog één keer: Adië wah! Het is een afscheid, een adieu dat tegelijk een vraag lijkt. Tot ziens, toch? We zien elkaar terug, toch? Het antwoord volgt uit de zaal, soms hardop, vaker in stilte.

Toen het licht weer aanging, bleef vooral één gevoel hangen. Sommige liedjes worden ouder dan de mensen die ze schreven. Sommige vriendschappen laten zich bewaren in een refrein. Misschien is dat wel de grootste kracht van deze feel good musical. Ze geeft een stem aan alles wat de tijd niet klein krijgt: vriendschap, levenslust en liefde. Inderdaad: Adië wah!

Deel dit artikel:
Meer artikelen over:
Chapeau TV, Kunst & Cultuur

Gerelateerd nieuws