Vijf keer op je bord, één keer minder angst
Ik was aan het koken, radio aan, en toch bleef ik stilstaan bij mijn snijplank toen dokter William Li – kankeronderzoeker en inmiddels goede bekende van elke podcastluisteraar met interesse in voeding – doodleuk beweerde dat we op dit moment allemaal zo’n tienduizend kankercelletjes in ons lijf hebben rondlopen. Tienduizend. Per dag. Ik legde mijn mes even neer.
Gelukkig, zo vervolgde Li, is dat volkomen normaal. Ons lichaam ruimt die celletjes dagelijks op, als een soort interne buurtwacht die stug haar rondje blijft doen. Pas als die wacht in slaap sukkelt – door een chronische ontsteking, bijvoorbeeld – krijgt zo’n cel de kans om uit te groeien tot iets gevaarlijks.
Wat mij écht bijbleef, was niet de angst maar het omgekeerde: hoeveel invloed we zelf blijken te hebben. Slechts een klein deel van kanker is puur genetisch bepaald, aldus Li. De rest hangt samen met leefstijl, omgeving en – daar is-ie weer – wat we eten. Geen wondermiddelen, geen hypes, gewoon vijf normale producten die vermoedelijk al in je koelkast liggen.
Soja staat al jaren onterecht te boek als verdacht, omdat het fyto-oestrogenen bevat. Snap ik, klinkt eng. Maar Li legt uit dat plantaardig oestrogeen scheikundig juist totaal niet op het menselijke type lijkt: het blokkeert het eerder dan dat het het nabootst. In een groot onderzoek onder vrouwen met borstkanker had wie dagelijks een portie soja at een aanzienlijk lager risico om aan de ziekte te overlijden. Ook voor mannen, benadrukt hij, pakt soja gunstig uit.
Tomaten, vooral gekookt en met een scheut olijfolie, leverden in Amerikaans onderzoek onder mannen een duidelijk lager risico op agressieve prostaatkanker op. De stof lycopeen is vetoplosbaar, dus die tomatensaus die een uur staat te pruttelen met olijfolie: precies waar de Italianen het toch echt bij het rechte eind hebben. Fijn detail voor wie, zoals ik, elke dag wel een bord pasta met verse tomatensaus naar binnen kan werken.
Appels danken hun reputatie aan chlorogeenzuur, een ontstekingsremmende stof in het vruchtvlees. De vezels voeden bovendien je darmbacteriën, die op hun beurt weer stofjes maken die ontstekingen temperen. Simpel, goedkoop, en dat maakt dat stukje appeltaart op het terras nog net wat smakelijker.
Bramen, blauwe bessen en frambozen bevatten anthocyanen, de stof die ze hun kleur geeft. Die stof houdt bloedvaten gezond en remt tegelijk de aanleg van nieuwe bloedvaten die een tumor zou kunnen voeden. Frambozen zijn daarnaast, ondanks hun luchtige gewicht, volgens Li verrassend vezelrijk.
Thee en koffie maken het rijtje compleet, tot mijn eigen opluchting: na vijftien jaar in Engeland ben ik een notoire Earl Grey-theedrinker (ja, met melk!) geworden. Thee bevat catechinen, koffie chlorogeenzuur. Beide remmen ontstekingen en versterken het immuunsysteem. Wie de volle laag wil, grijpt naar matcha: daarin zit het hele theeblad, vezels incluis.
Niets hiervan is een garantie, dat zegt Li er zelf ook nadrukkelijk bij. Eén appel voorkomt geen kanker, net zoals één sigaret geen longkanker veroorzaakt. Maar de optelsom van gewone, dagelijkse keuzes blijkt zwaarder te wegen dan we lang dachten. En dat is, vind ik, een geruststellend soort gezond verstand.














































