Onze leapsprong naar onafhankelijkheid
Strategische autonomie is een term die we steeds vaker horen. Want als we iets geleerd hebben van de diverse crises van de afgelopen jaren, is het wel dat we ons minder afhankelijk moeten maken van andere landen of grote industrieën in de wereld.
Willen we meer strategische autonomie, dan komt daar veel bij kijken. Het gaat onder meer om zaken als eigen productiecapaciteit, beschikbaarheid van grondstoffen, energie, mankracht en kennis. In de afgelopen decennia werd een globaal systeem opgebouwd dat steeds minder lokaal werd en bijdroeg aan de groeiende welvaart. De keten werd almaar efficiënter. Tot er een kink in de kabel kwam en we beseften hoe kwetsbaar we zijn in Europa. We werden met de neus op de feiten gedrukt.
Het bereiken van strategische autonomie is echter makkelijker gezegd dan gedaan.
De afhankelijkheid van anderen die over een lange periode in een systeem verankerd is, draai je niet simpel terug. Dat kost inspanning, geld en veel tijd. Gewoontes moeten veranderen, maar dat is niet voldoende. Er is kennis en kunde verloren gegaan, en niet in de laatste plaats productiecapaciteit. Dat alles bouw je niet zomaar opnieuw op.
Zeggen is één ding, daadwerkelijk stappen zetten een ander. Want om bijvoorbeeld productiecapaciteit toe te voegen, zullen ondernemers het risico moeten nemen om die te bouwen en dan moet er ook nog vraag zijn naar die capaciteit. Ondernemers doen dat alleen als ze ook een (lokale) markt zien die kansen biedt.
Dat vereist dus een nieuwe vraag. Die is echter niet meer lokaal, terwijl de productie verhuisd is naar plekken op de wereld waar de vraag er wel is. Bovendien is de lokale markt duurder dan de (efficiëntere) globale markt, waardoor de prijzen zullen stijgen. Strategische autonomie zal de burger in de beurs voelen, ook daar moet je als maatschappij een antwoord op hebben. We kunnen lokaal die nieuwe vraag weer creëren, bijvoorbeeld door opdrachten van de overheid of incidentele projecten.
De vraag is trouwens niet het enige aspect, het gaat er ook om weer ervaring op te doen met produceren. Daarnaast zullen er mensen moeten opgeleid worden, de grondstoffen moeten beschikbaar zijn et cetera. Kortom, de hele waardeketen moet zich weer lokaal gaan manifesteren.
De afgelopen jaren hebben we in onze regio veel en goed geïnvesteerd in de (kennis)economie. Dat rendeert. Er zijn bedrijven bijgekomen, bestaande bedrijven zijn naar de regio getrokken en de werkgelegenheid is toegenomen. Parallel daaraan ontstaan er nieuwe productiebedrijven. Productietechnieken zijn verbeterd en vernieuwd. Een mooi en gestaag proces. Eigenlijk willen we sneller grotere stappen zetten omdat in de transities de kaarten nú geschud worden.
De Einstein Telescope gaat ons de vereiste boost geven. Een project waarbij zaken ontwikkeld worden die nog niet bestaan. Denk aan een nieuwe generatie spiegels (die ASML weer jaren verder helpen met een nieuwe generatie machines), vacuümbuizen met laserlicht en vele andere zaken. Niet alleen een uitdaging in technologische ontwikkeling, maar ook een uitdaging in het productieproces. Daarin bouwen we nu kennis en kunde op en met de aanleg van het project komt ook de vraag op gang.
Zo wordt de Einstein Telescope van belang in het kader van onze strategische autonomie. Het zijn niet alleen de ideeën van de wetenschappers die bedacht worden, het apparaat moet ook geproduceerd worden en geassembleerd, 300 meter onder de grond. Tunnels moeten gegraven worden, infrastructuur moet aangelegd. Kortom, een unieke kans om in één klap onze strategische autonomie als regio op te bouwen, op alle vlakken van onze economie. Kennis en productie hand in hand.
Dit waanzinnig gave wetenschapsproject zorgt ervoor dat we ons als regio op de kaart zetten. Maar ook dat we in de wereld nieuwe toepassingen krijgen die we nu nog niet kennen. Het zorgt er eveneens voor dat we als regio strategisch autonoom kunnen worden. Een unieke kans die voor het grijpen ligt. Daarom moeten en zullen we de bid voor de Telescope winnen.




