Bert van Marwijk - Het uitgebreide interview

"Ik heb het Bourgondische leven in Limburg leren te waarderen"

Auteur: Jo Cortenraedt
Donderdag 21 juni 2018

Oranje blijft thuis, maar de voormalige Oranje-trainer Bert van Marwijk gaat in juni wél naar het WK in Rusland, als bondscoach van Australië. De zoveelste internationale uitdaging voor de oud-voetballer (Go Ahead Eagles, AZ, MVV en Fortuna Sittard) en trainer (Fortuna Sittard, Feijenoord, Nederlands Elftal, Borussia Dortmund, Hamburger SV en Saoedie-Arabië). De Meerssenaar blijft de nuchterheid zelve, over voetbal en de rest van het leven.

Veel aanvragen voor interviews zal de geboren Deventenaar in deze periode niet kunnen honoreren, want het wordt voor hem en zijn staf kort dag om het Australische nationale team klaar te stomen voor het wereldkampioenschap in Rusland. Maar nu gaat hij er even goed voor zitten.

Hoe ben je in het trainersvak gerold?

„Dat begon toen ik nog voetbalde bij MVV. De toenmalige manager Nico Jongen vroeg mij en Willy van Bommel, ‘de stengel’, om een jeugdelftal te trainen. Dat vonden we leuk om te doen.”

Werd er toen ook al van alles geroepen door de ouders langs de lijn?

„Dat viel nog wel mee. Nu is dat anders. Dat is een afspiegeling van de maatschappij. Ik vind het vaak verschrikkelijk. Tegenwoordig zie je dat ook al gebeuren op de hockeyvelden. Bij MVV hadden we toen de C1 van 13-14 jaar en daarna ietsje ouder onder onze hoede. Toen al had je ouders die zich op een bepaalde manier lieten gelden en probeerden zich ermee te bemoeien. Ik ben een keer met het hele team naar de zijlijn gelopen en heb toen de ouders gevraagd om zich niet meer met de gang van zaken op het veld te bemoeien. Dat hebben ze daarna ook niet meer gedaan. Nu wordt het alleen maar erger. Ook de agressiviteit om het voetbal heen, dat is een maatschappelijk probleem en heeft in feite niets met voetbal te maken. Toen ik zelf nog voetbalde, waren er geen dranghekken. Je kon zo over het hek stappen. Het is jammer dat dit niet meer kan. In Engeland is dat niet zo, daar heb je geen afrastering. Ik weet nog dat ik trainer was bij Dortmund. We speelden tegen Schalke, dé derby. Met 83.000 toeschouwers. We kwamen met de bus aan en de supporters van beide clubs stonden naast elkaar, zonder dat er iets gebeurde. Nu zie je in Duitsland ook wel problemen, maar lang niet zo erg als in Nederland. Ik heb er wel een oplossing voor, het is een politiek probleem. Je kunt het de clubs niet eens kwalijk nemen. Het kost hen veel geld, al die veiligheidsmaatregelen. Het is al zo vaak gezegd dat er een minister van sport moet komen. Dat zou heel verstandig zijn.”

En is jouw oplossing dan dat de politiek harder moet ingrijpen?

„Voor mij mogen ze dat doen. Die raddraaiers meteen oppakken en vastzetten. De mensen die de zaak verzieken voor iedereen, dat zijn geen supporters. Vorig jaar was er nog die agressie bij de wedstrijd MVV-Roda voor de play-offs. Dat kost alleen maar geld. Elke supporter weet dat deze clubs het financieel moeilijk hebben. Met dit gedrag doe je je eigen club tekort. Dan kun je in mijn ogen geen supporter zijn.”

Je aanstelling bij Australië, gaat zoiets via voetbalmakelaars of hoe werkt dat?

„Meer dan je zou willen in deze wereld  gaat via voetbalmakelaars. Maar gelukkig, in dit geval wilde de Australische bond met mij in zee gaan. Ik ben dus rechtstreeks door hen benaderd, niet via een makelaar. Als er ergens een vacature komt bij een club of een land, dan worden al die makelaars wakker. Die gaan dan allerlei kandidaten bellen en vragen naar hun interesse, terwijl er nog geen sprake van is of die club of dat land interesse hebben. Maar dat doen ze uiteraard in de hoop er wat aan te verdienen. Alleen maar. Maar Australië kende mij want ze speelden in de kwalificatiereeks tegen Saoedi-Arabië dat ik toen trainde. Ik ben na de kwalificatie bij Saoedi-Arabië weggegaan. Maar zij kenden dus de speelwijze van dat land en dus ook mijn aanpak. Daar is die interesse ontstaan.”

Heb je er nog over moeten nadenken of was dit zo’n superkans dat je dat niet hoefde te doen?

„Nou ja, ik ben inmiddels 65 en heb al een heel leven als voetballer en coach achter de rug. Ik heb een gezin en kleinkinderen, wat eigenlijk het mooiste is dat me is overkomen. Die wil ik heel graag zien opgroeien. Ze sporten alle drie op een behoorlijk niveau en ik vind dat leuk om te volgen. Als ik dan zelf kies voor een club en elke dag op het veld sta, mis ik dat allemaal. Het moet dus wel echt bij me passen, wil ik het nog doen. We hebben twee jaar keihard gewerkt met Saoedi-Arabië om ons te kwalificeren voor het WK. We hebben ons direct als achtste land van de wereld geplaatst. Daarna zouden we aan de voorbereiding op het WK beginnen. Uiteindelijk kon ik niet tot overeenstemming komen over de voorwaarden, terwijl het juist wel mijn bedoeling was om naar het WK te gaan met dat team.”

Dat was dus een pittige beslissing.

„Jazeker, ook voor de technische staf en mijn jongens uit Nederland die ik meenam. Nu krijg ik de kans om alsnog naar dat WK te gaan. Ik heb natuurlijk de ervaring met het Nederlands elftal op het WK in Zuid-Afrika in 2010, dat was geweldig. Een WK is voor elke coach een hoogtepunt. Australië kende ik al omdat we er met Saoedi-Arabië twee keer tegen gespeeld hebben. We hebben hen ook geanalyseerd. Ik ken die spelers. We hebben overigens niet van hen gewonnen. Eenmaal gelijk en eenmaal verloren. Niettemin eindigden wij als tweede in de poule en plaatsten ons rechtstreeks. Australië eindigde achter ons en had de play-offs nodig om alsnog naar het WK te kunnen gaan. Het spreekt me ook aan omdat Australië een geweldig land is met een goede sportcultuur en een prima mentaliteit.”

Vroeger zag je minder dat buitenlandse trainers coach werden van een nationale ploeg.

„Nederland heeft er ook wel een paar gehad zoals Ernst Happel en Georg Kessler, maar normaal gesproken zie je vooral trainers uit het land zelf. Australië kent wel een echte traditie van buitenlandse coaches. Guus Hiddink is daar nog bondscoach geweest, evenals Pim Verbeek. Daar is voetbal ook niet de eerste sport. Cricket is volgens mij de eerste sport. Of rugby.”

Betekent het in de praktijk dat je het hele voorjaar tot aan het WK in Australië zit?

„Nee, in februari ben ik er negen dagen geweest. Om nader kennis te maken, mij te oriënteren en voor een persconferentie. Ik heb er vier wedstrijden bekeken. Daarna moest ik wel terug, want bijna alle spelers die in aanmerking komen voor de nationale ploeg, spelen in Europa. Het werk bestaat in het voorjaar vooral uit vergaderen, conference-calls en het bezoeken van wedstrijden in Europese competities om zo veel mogelijk spelers te bekijken. En zo komen we dan tot het samenstellen van een selectie. In maart hebben we met de nationale ploeg twee oefenwedstrijden gespeeld, in Oslo tegen Noorwegen en in Londen tegen Colombia. Het is niet zo vreemd dat die wedstrijden hier in Europa worden gespeeld. Als we met z’n allen voor een oefenwedstrijd naar Australië moeten, is dat te omslachtig. Je bent alleen al 24 uur onderweg, plus de jetlag, het tijdsverschil en dat soort factoren, terwijl de competities in Europa nog aan de gang zijn. Op 19 mei begint het officiële trainingskamp, ook in Europa. En dan vertrekken we begin juni naar Rusland. Op 16 juni is daar de eerste wedstrijd. Normaal heb je als bondscoach veel meer tijd om alles voor te bereiden. Maar ik zag mijn spelers pas voor het eerst eind maart en dan heb ik ze pas weer op 19 mei.”

Je neemt weer dezelfde technische staf van hieruit mee?

„Ja. Aanvankelijk wilden ze dat ik maar één assistent meenam. Daar ging ik niet mee akkoord. Dus mijn schoonzoon Mark van Bommel gaat mee en Roel Coumans die met mij nog bij Hamburg heeft gewerkt en ook in Meerssen woont. Hij was ook mee naar Saoedi-Arabië. En verder Taco van der Velde, die van huis uit sportjournalist is bij Voetbal International. Hij is een soort manager operationele zaken. Hij zorgt dat ik de dingen terplekke kan doen. Hij kent die hele wereld en is een enorme steun voor mij. Ik heb trouwens ook nog een Australische assistent, dat is ook goed voor de band. Er is weinig tijd, vanaf het begin moest de staf goed zijn. De hele verdere aanpak, de tactiek en dergelijke, dat is aan mij. Anders zou ik het nooit doen.”

Zie je dit als je laatste grote klus?

„Ik denk niet zo in kansen en ben ook niet ambitieus in de zin van: ik wil dit nog en ik wil dat nog. Als trainer heb ik gewerkt bij Herderen aan de Belgische grens, daarna Meerssen en vervolgens Fortuna. Het ging daarna min of meer vanzelf. Ik heb nooit gezegd: ik wil naar die club of die ploeg. Mijn ambitie ligt puur op het veld; werken met mensen en proberen een team beter te maken. Natuurlijk is het wel heel fijn om met goede spelers te werken. Wat dat betreft ben ik de laatste 10-15 jaar wel in de top actief geweest. Maar verder komt het zoals het komt. Het moet ook een beetje passen bij mijn levensritme.”

Word je ’s nachts nog wel eens wakker dat je Robben op die Spaanse keeper af ziet gaan in Zuid-Afrika in de finale?

„Nee. Na de finale is er natuurlijk eerst de teleurstelling over het verlies. Je realiseert je pas later dat je als land het hoogst bereikbare net niet gehaald hebt. Ik kan wel redelijk goed relativeren. Het komt alleen terug als jij er nu over begint, of als ik in een of ander programma zit en ze die beelden nog eens laten zien. Dan realiseer je je hoe ongelooflijk dicht je erbij bent geweest. De teen van die doelman, dat maakte toen het verschil tussen winnen of verliezen. Je krijgt als je op zo’n toernooi zit ook niet echt mee wat zich in eigen land allemaal afspeelt. Ik kan me nog herinneren dat toen ik terugkwam, mijn straat helemaal versierd was. Ik hou eigenlijk helemaal niet van huldigingen. Maar die mensen hadden het heel mooi gedaan. Ik snap dat ook wel. De dag erop belde de burgemeester dat ze mij graag zouden willen huldigen. Dat hoefde voor mij helemaal niet. Maar hij bleef er op staan. Stond ik daar ineens voor zevenduizend mensen op de Markt. Daar kon niemand meer bij. Zo druk is het daar nog nooit geweest. Dan realiseer je je pas hoe zo’n WK hier leefde. In Johannesburg kreeg je dat niet mee. Ik heb die polonaises ook bewust weggehouden voor mijn spelers, om de concentratie niet weg te halen. We zijn sowieso een raar volk. We vinden niet gauw iets goed hier in Nederland. Maar als het dan een keer goed gaat, dan lopen we de polonaise. Dan gaan we naast onze schoenen lopen.”

Daar zijn de Belgen dan toch wat voorzichtiger in.

„Dat klopt. Maar die zitten nu met een dilemma. Die hebben nu wel een van beste teams, misschien wel het beste. Maar ze weten zich geen raad met de status die ze hebben. Eigenlijk zouden de Belgen zich moeten uitspreken. Ze hebben een generatie voetballers met de kwaliteit om wereldkampioen te kunnen worden. Mijn ervaring is dat je druk nodig hebt om te kunnen presteren. Leidinggevenden en coaches proberen vaak druk weg te nemen om beter te presteren. Maar ik denk dat je wél druk nodig hebt voor die prestatie. Het gaat erom de balans te vinden, zodat die druk niet tegen je gaat werken. Maar je moet je wel durven uitspreken als je een doelstelling hebt. De bescheidenheid van de Belgen werkt een beetje tegen hen. België heeft nu meer spelers die in de top van Europa spelen dan Nederland.”

Maar met topspelers heb je nog geen team.

„Nee, maar dat was ook mijn drijfveer met het Nederlands elftal. Met de beste spelers word je geen wereldkampioen, met het beste team wel. Er is altijd een uitdaging, ook als je minder kwaliteit hebt. Dat is gemakkelijk gezegd natuurlijk, maar in de praktijk verrekte moeilijk.”

Wat zijn nu jouw specifieke kwaliteiten om zo’n team te smeden?

„Daar gelden geen regels voor. Je zit in een wereld waarin iedereen elke seconde over je schouder meekijkt. Je hebt bovendien te maken met ego’s, met spelers die goed verdienen. De omstandigheden om te werken aan een team zijn niet geweldig. Het is een contactsport, er kan altijd wat gebeuren. Je moet elk moment de juiste beslissing nemen. Maar er is wel een aantal punten belangrijk voor mij. Als coach moet je kunnen beïnvloeden. Je moet je niet laten beïnvloeden. Dus moet je ook geen angst hebben. Niet om te verliezen, niet voor de meningen van anderen. Ik ben zelf behoorlijk eigenwijs. Vroeger luisterde ik écht naar niemand. Tegenwoordig ben ik wel zo ver, dat als ik daarmee mijn voordeel kan doen, ik wel luister. Je moet geloofwaardig zijn, vooral naar je spelers toe. Voetballers zijn sociaal heel intelligent. En je moet ook duidelijk zijn. Niet er omheen draaien.”

Hoe was het om te werken in Saoedi-Arabië, een oerconservatief en religieus land?

„Ik denk daar zeker over na. Heb daar ook met mensen gesproken over allerlei zaken. Alleen hoeft dat niet iedereen te weten. Ik ben erheen gegaan vanwege het vak. Dan krijg je te maken met beeldvorming. Dat ik alleen voor het geld ging. Natuurlijk ga je ook voor het geld, maar als er geen sportieve uitdaging was geweest had ik het niet gedaan. Toen we ons kwalificeerden werd dat beeld rechtgetrokken. Zo gaan die dingen, daar heb je weinig vat op. Het feit dat ik uiteindelijk nee heb gezegd, tegen de voorwaarden voor de voorbereiding, zegt genoeg over mijzelf. Kijk, er gebeurt heel veel in de wereld. Ik ga nu naar het WK in Rusland. Tja, ik kan niet over elk land een mening hebben. En als ik die heb, dan moet dat niet mijn werk beperken. Je hoopt natuurlijk altijd dat er verbeteringen ontstaan in die landen. Dat is ook de reden waarom ik niet inga op uitnodigingen voor talkshows als De Wereld Draait Door, Jinek enzovoorts. Dan kan ik daar wel over van alles gaan meepraten, maar ik vind dat ik me publicitair gezien moet bezighouden met mijn vak, ook al denk ik ook wel na over andere zaken.”

Het zal niet eenvoudig worden om met Australië succes te behalen in Rusland, met in de poule Frankrijk, Denemarken en Peru.

„Ik ben een realist met een vleugje optimisme. Bij het eerste gesprek met het Nederlands elftal heb ik uitgesproken dat we naar het WK moesten gaan om wereldkampioen te worden. Omdat we op toernooien vaker van topteams hadden gewonnen. Ik vind niet dat we kansloos zijn in Rusland. Ik ga ervoor om de eerste ronde te overleven. Als ik daar niet in zou geloven, dan zou ik het niet doen. Met de spelers spreek ik alleen over de allereerste wedstrijd, de moeilijkste, tegen Frankrijk. Voor de rest telt niks. Dat wordt natuurlijk een uitdaging.”

Heb je ook al de speelwijze in je hoofd?

„Nee, want ik moet eerst het team creëren. En vervolgens ontwikkel je een speelwijze die past bij het team.”

En Nederland, spijtig dat we er niet bij zijn?

„Zeker. Maar je hebt nu eenmaal te maken met generaties. Kijk naar België. Die hebben nu een unieke generatie met veel talent. Vaak zijn dingen toeval. Een Johan Cruijff heb je maar één keer in de tweehonderd jaar.”

Het grote geld in het voetbal, zoals clubs die worden opgekocht door miljardairs en spelers die een paar honderd miljoen kosten. Is dat wel gezond voor de sport?

„Het is de markt die bepaalt. Waarom betaalt iemand honderd miljoen voor een schilderij. Als jij morgen tien keer zo veel kunt verdienen met hetzelfde werk, zeg je dan: nee, dat hoeft niet? Weet je wat ik wél beangstigend vind, dat is dat je situaties krijgt zoals met die 220 miljoen voor Neymar. Dat is een bedrag, daar kun je in sommige landen een hele regering mee omver werpen. Die topspelers moeten onder tamelijk extreme omstandigheden presteren. Voetballers zijn over het algemeen nog altijd liefhebber. Maar zij bepalen de prijzen niet, dat doet de markt. Het kan maatschappelijk wel leiden tot vreemde situaties, maar is alleen bijna niet tegen te houden. Voor mij hoeft het niet dat die clubs gekocht worden. Ik zit bij MVV in een voetbalplatform, samen met Erik Meijer, Reginald Thal en Johan Dijkstra. Die club is nog altijd van de mensen, van de stad Maastricht. Maar het is ontzettend moeilijk om zo’n club financieel gezond te laten draaien en ook nog eens ooit terug in de eredivisie te laten spelen. Wat als daar morgen een geldschieter binnenkomt? Als het aan mij ligt, dan zouden we het niet doen. Alleen, het is moeilijk om dat te weerstaan. Het gebeurt overal tegenwoordig. In de top zeker. De uitzondering is Bayern München. Die club staat nog op eigen benen. Maar er gaat ook daar zo veel geld in om. Vroeger was de hoofdmoot de inkomsten uit het aantal toeschouwers. Nu is dat nog maar een paar procent van een totale begroting. Het geld komt vooral uit tv-rechten en publiciteit.”

Zou je ooit nog eens terug willen naar een amateurclub?

„Op zich zou ik daar geen moeite mee hebben. Maar zoals gezegd moet het passen bij mijn levensritme.”

Hoe hou je jezelf in conditie?

„Een keer of drie in de week doe ik wel nog wat. Wandelen, mountainbike, fitness. Na zo’n lange voetbalcarrière functioneert niet alles meer even perfect.”

Voetbal is jouw vak maar me lijkt dat je ook wel interesses hebt voor andere dingen.

„Zeker. Ik lees elke dag de kranten, niet alleen de sport. Ik volg alles een beetje wat er gebeurt. Vind ik wel belangrijk. Eerst deed ik ook aan kaarten, maar daar ben ik mee gestopt. Ik was té fanatiek en dan begin ik me te ergeren over mijn eigen spel en dat van anderen. Dus dan kan ik daar maar beter mee stoppen. Verder geniet ik van het leven. Ik heb het Bourgondische leven in Limburg wel leren waarderen. Ik kan genieten van een mooi glas wijn. Met mijn gezin en kleinkinderen gaan we regelmatig wat eten. Dat tafelen heb ik moeten leren. Daar had ik vroeger geen geduld voor. De meeste voetballers niet. Ik kan het nu wel waarderen. Hoeft niet een sterrenzaak te zijn, als ik me maar op mijn gemak voel. Nee, ik kook zelf niet. Mijn vrouw heeft het wel vaker gesuggereerd maar het is er nog niet van gekomen. Ik ben wel geïnteresseerd in voeding en zeker in gezonde producten. Dat is belangrijk, en mijn vrouw en dochters letten daar ook op. Net als op mijn kleding. Ik weet zelf ook wel wat ik mooi vind en ik vind goede kleding belangrijk, maar mijn dochters hebben er echt kijk op, dus die denken met me mee. Ik ben ook graag thuis. Ik ben een echte familieman. En ik ga graag mee met mijn kleinkinderen voor hun sport. De ene kleinzoon speelt bij de jeugd van PSV, de ander bij MVV. De kleindochter doet het goed met tennis. Dat vind ik mooi, daar steek ik graag tijd in.”

Ben je iemand die zich zorgen maakt over wat er allemaal in de wereld gebeurt?

„Natuurlijk gebeuren er dingen die ik erg vind, maar ik ben niet het type dat zich overal zorgen over maakt. Ik hoop wel dat het met de wereld nog goed gaat als mijn kleinkinderen volwassen zijn.”

Lees ook