Arthur Spronken: ‘Ze zullen wel denken dat ik antiek ben’

Interview met Arthur Spronken in Chapeau Magazine (2013)

Auteur: Jo Cortenraedt en Ludo Diels
Zondag 8 april 2018

Kunstenaar Arthur Spronken geldt als de oervader van de Limburgse beeldhouwers. Een kleine man die grote beelden maakt. Indrukwekkende beelden, waar hij niet mee te koop loopt. Na zijn studie aan de kunstnijverheidschool in Maastricht, waar Harry Koolen en Charles Vos zijn leraren waren, toog Spronken voor een jaar naar Milaan waar hij les kreeg van de befaamde Marino Marini. Koningin Beatrix, zelf beeldhouwster, kwam verscheidene keren bij hem privé op bezoek omdat ze zijn werk bewondert. En de Italiaanse po- liticus Berlusconi zat Spronken ooit dwars rond het plan voor een nieuw exemplaar van het beroemde beeld van Marcus Aurelius, waarvan de ‘nieuwe’ kop nog eens op TEFAF te zien was. Intussen is Arthur Spronken 82 jaar, maar nog elke dag werkt hij aan zijn beelden. Hij kan niet zonder.

Alsof de beeldhouwer niet op deze aardbol woont, zo lijkt hij afgeschermd van de wereld. In het dorpje Kelmond in de gemeente Beek kun je met de allernieuwste GPS in de auto deze kunstenaar niet vinden. Alleen als je tevoren enige aanwijzingen van hem of een van zijn kinderen krijgt, dan zou het je kunnen lukken. Dan vind je met een beetje doortastendheid de poort die omhooggaat naar iets in de verte. Het is niet de hemel, maar wat dan wel?

Aan het einde van de lange oprijlaan kom je uiteindelijk bij een forse verzameling gebouwen, omringd met enorme zuilen en beelden. Je kunt niet spreken van een huis, eerder van een soort stenen nederzetting.

Nadat eerst de hond aanslaat, schuifelt na een tijdje z’n baas naar het binnenhekwerk om ons te begroeten. We zien een oneindige reeks kunstwerken van steen en brons, die een aantal gebouwen omringen met allemaal een plat dak. Op het eerste oog lijkt het erop alsof ze allemaal nog afgemaakt moeten worden. Maar de bewoner heeft dat anders aangepakt. Als op een gegeven moment een dak dreigde te lekken, legde hij er een compleet nieuw dak overheen, voor de zekerheid. „Hier zitten 300.000 stenen in,” zegt Spronken. Doorleefd maar monter gelaat, priemende ogen, brede glimlach en volle baard. Hij oogt vief voor zijn leeftijd. „Het zijn zestien stukjes grond van allemaal verschillende boeren, die ik ooit verwierf en die nu samen dit geheel zijn geworden,” zegt hij met lijzige, vriendelijke stem. „Ik wilde apart wonen om te kunnen werken en ook om niemand overlast te bezorgen, want als beeldhouwer maak je wel eens wat kabaal. Ruimte is belangrijk voor een kunstenaar.”

Verderop loopt een aantal paarden, naast beelden een tweede vaste waarde in het leven van Spronken.
Zijn vrouw, kunstenares Francesca Zijlstra, komt erbij en zegt later die middag met enige humor dat zij door Arthur in Amsterdam ontdekt is.

In de tuin tussen de beelden zien we nog een laag maar groot vierkant bouwwerk, waarin zich een soort ondergronds museum bevindt. Maar de heer des huizes wil ons vooral rondleiden in zijn woning, die bestaat uit een aantal ruimten die bij elkaar opgeteld met een kasteel te vergelijken zijn. Elke kamer is een mix van wonen en kunst. Overal staan beelden en aan de soms hoge wanden hangen schilderijen, veel van zijn eerste, Finse, vrouw Varpu Tikanoja, met wie hij vijf kinderen kreeg en die ruim dertig jaar geleden overleed. Dat hij nog zoveel beelden binnen en buiten heeft staan, heeft er volgens Spronken deels mee te maken dat een aantal opdrachtgevers het werk uiteindelijk niet afnam. „Ik schat dat al met al de helft van alle opdrachten niet is doorgegaan. Vaak kwam dat door geldproblemen of was er politieke onenigheid in een gemeente. Tja, dan zit je met je kunstwerk. Zelfs als je een getekende opdracht hebt van een burgemeester, zegt dat nog niks.”

Terwijl zijn vrouw wat blokken hout in de open haard gooit, gaan we om het vuur zitten bij een kop thee en een neutje grappa. Spronken is een levensgenieter. „Ik sta elke dag op met de vreugde dat ik aan een beeld kan werken. Op mijn 36ste ben ik hier begonnen met bouwen en eigenlijk is het nog niet af. Ik ga nog gewoon door, het is een ziekte. Vanaf het begin had ik hier de ruimte voor de kinderen en de beelden. Vorig jaar heeft de gemeente Beek hier een open dag georganiseerd. Kwamen meer dan tweeduizend bezoekers. Ik wist niet wat ik zag, zij ook niet waarschijnlijk. Ik ben nu 82 en een half jaar oud. Ja, op die leeftijd begin je in halve jaren te tellen. Ik ben gelovig.

Wie geeft me er wat voor in de plaats? Op zich zit het katholiek geloof goed in elkaar, alleen de uitvoering is wat minder. Voor mij als kunstenaar is het geloof belangrijk. Zelfs mijn naaktfiguren hebben toch iets religieus. We hebben niks van ons zelf en bij de dood geven we alles terug. Atheïsme vind ik onzin. De kracht van de geboorte blijf je houden. Het geloof als kerkelijk instituut heeft het moeilijk. Maar het is bijvoorbeeld raar dat veel kerken tegenwoordig overdag gesloten zijn. Ik begrijp wel omwille van de veiligheid. Maar toch, hoe wil je dan openstaan voor gelovigen. Of ik als gelovige of als kunstenaar en kunstliefhebber kerken bezoek?” Lachend: „In ieder geval nog niet als lijk.”

Van Spronken staan er zo’n honderd kunstwerken op openbare plaatsen en musea in Nederland (waaronder het Rijksmuseum), zo schat hij zelf. Relatief weinig van zijn werk is in Beek te zien. „Kunst moet altijd van ver komen, zo denken veel bestuurders. Het gras bij de buren is groener. Och ja.” Hij laat ons zijn werkplaats zien, waar enkele grote beelden staan die naar zijn idee nog niet helemaal af zijn. Hij oogt extra klein bij de afmetingen van zijn impressionante kunstwerken, zeker als hij naast de bronzen paarden staat. „Ik ben al vanaf mijn vijfde kunstenaar. Het paard waar ik nu aan bezig ben, is volgens mijn kinderen het krachtigste dat ik ooit gemaakt heb. Ik moet elke dag werken, ik zou niet anders kunnen. Alleen het staan is lastig, dus vaak ga ik er nu bij zitten. En mijn beelden gaan ook vaker liggen. Mijn handen zijn nog sterk en lenig. Kleine handen zijn een voordeel voor een kunstenaar. Er staan hier beelden bij waar ik al enige tientallen jaren aan werk. Dan wil ik het telkens beter maken, het is een strijd tussen geest en materie. Ik heb zeker honderd beelden gemaakt die over een paar honderd jaar nog goed zijn. Ik leef te kort en omdat ik me daarvan bewust ben, neem ik niet teveel zijwegen en volg ik mijn hoofdweg. Als ik doodga, heb ik het leven uitgemolken.”
Een van de moeilijke zaken in het leven vindt Spronken de neiging van veel mensen om anderen proberen te beïnvloeden. „Als je elkaar vrijlaat in liefde en geloof, dan ontwikkelt de mens zich in vrijheid. Maar je ziet het vaak andersom. We schrijven elkaar allerlei regels voor, zodat er geen vrijheid is. We leven te veel in dogma’s en die zijn dodelijk voor de menselijke ontwikkeling. Het moet een proces van geven en nemen zijn, zoals in de liefde. De huidige crisis is misschien ergens goed voor, het stimuleert de fantasie. Nee, ik ben niet uit op geld, maar voldoende geld is wel belangrijk om vrij te kunnen leven.” Hij kijkt ernstig als hij over de oorlog komt te vertellen. „Mijn moeder was Joods. Veel familieleden zijn in de oorlog vermoord. Mijn vader was ondergronds. Als je oorlog hebt meegemaakt, blijft die je altijd bij. Toen ik twaalf was dacht ik: mocht ik later rijk worden, dan ga ik elke dag een sinaasappel eten. Gek hè. Ik ben zelf moeten onderduiken. Mijn moeder was een bekeerling tot katholiek vanuit haar Joodse afkomst. We hadden destijds veel te danken aan burgemeester en beeldhouwer Paul Smalbach van Beek. Weliswaar was die lid van de NSB, maar hij heeft haar gered uit handen van de Duitsers. Hij kende mijn vader. Ik weet nog dat de Duitsers mijn moeder thuis kwamen halen. Ik stond beneden in de gang. Zo’n SS’er duwde me opzij en ging naar boven naar de slaapkamer met een geweer. Mijn moeder moest mee. Smalbach heeft ze weer teruggebracht. Later moest hij zelf onderduiken omdat de Duitsers zijn dubbele rol in de gaten kregen. Hij redde niet alleen mijn moeder maar nog veel meer mensen. Gek is dat ik bij het overlijden van Smalbach gevraagd werd een lijkenmasker van hem te maken. Dat gebeurde toen nog. Ik moest eerst een mal van gips maken van zijn gezicht. Het spul was wat sterk, ik ben bovenop het lijk moeten gaan zitten om de mal ervanaf te kunnen trekken.”
De dood komt regelmatig langs, ook in 1983 als zijn vrouw Varpu overlijdt. Spronken heeft het er zwaar mee. „Ik zocht een uitweg voor mijn emoties. Ik ben toen aan een heel groot bronzen beeld begonnen, dat hebben we gegoten. En waar zoiets dan toe leidt, heel gek. In Rome stond het beeld van Marcus Aurelius op het Capitool, dat was in slechte staat. Er is toen het idee ontstaan om een nieuwe Marcus Aurelius te maken dat Nederland zou aanbieden aan Italië. Mijn werk en de giettechniek van Pie Sijen, mijn vaste bronsgieter, leenden zich daar kennelijk voor. Dat werd ineens een hele serieuze be- weging. Er kwam een stichting met onder meer gouverneur Sjeng Kremers, evenals de toenmalige DSM-baas Hans van Liempt en kunsthandelaar Rob Noortman. Ik weet nog goed dat we met het privévliegtuig van Noortman naar Rome vlogen, over de Alpen. Het stadsbestuur van Rome had er wel oren naar. Op de terugweg gaf Noortman ineens de stuurknuppel aan mij. Ik had nog nooit gevlo- gen. Dat was wel even zweten. De Italianen kwamen op tegenbezoek naar Limburg en waren onder de indruk van de bronstechniek die we met met Pie Sijen deden. Dat is ook echte top, dat vind je nergens in de wereld. Kremers had gezorgd voor een soort staatsontvangst. Elco Brinkman, toen minister van cultuur, kwam ook langs. Die wilde wel geld geven, zodat het een cadeau van Nederland aan Italië zou zijn. Noortman had eerder al 250.000 gulden in de stichting gestopt. Ik had een grote mal klaar van de kop van het paard. De Italianen waren te- vreden. En koningin Beatrix was bereid om het beeld in Rome te onthullen. Ik had een goede band met haar sinds ik een bronzen beeld van haar gemaakt had dat voor het Gouvernement in Maastricht staat. Ze is een paar keer privé hier op bezoek geweest en was op- recht geïnteresseerd in mijn manier van werken. Op de kunstbeurs TEFAF werd de kop van het paard van Marcus Aurelius, die ik alvast als model gemaakt had, getoond aan de internationale pers. Dat vond ik heel bijzonder, want die beurs is de beste expositie ter wereld. Dat is echt goud voor Maastricht.

Maar toen ineens veranderde de politiek in Rome. Berlusconi begon invloed te krijgen en hij bemoeide zich er ineens mee. „Er komen geen Hollandse barbaren aan ons nationale monument,” zei hij in dreigende taal, en toen konden we het vergeten. Het is nadien met Italiaans geld door Italiaanse kunstenaars gemaakt.”

Arthur Spronken hield er een band met kunsthandelaar Rob Noortman aan over. „Als ik nu lees dat hij iets geflikt zou hebben met die gestolen schilderijen destijds, ik kan me er niets bij voorstellen. Naar mijn idee had hij daar te veel oog voor schoonheid voor. Ik heb hem ervaren als een mens van groot kaliber, altijd positief en energiek. Toen hij ernstig ziek bleek te zijn, belde zijn vrouw Angelique mij op of ik zijn hoofd in brons kon vereeuwigen. En dat er niet zoveel tijd was. Ik ben er meteen aan begonnen. Toen het klaar was, heb ik gebeld. ‘Hij is net een uur geleden gestorven,’ zei ze.”

Er is genoeg voorraad, maar echt bezig met de verkoop van zijn beelden is Spronken niet. „Ik heb een pensioen en AOW. Ik concentreer me op mijn kunst, niet op de verkoop ervan. Opdrachten komen er niet meer veel. Ze denken dat ik duur ben. Terwijl ik vind dat ik ei- genlijk goedkoop ben, als je al het werk en het materiaal bekijkt. Maar ja, in een tijd van crisis is er minder geld voor kunst. Zeker bij overheden. Daar komt bij dat je in besturen steeds minder kunstliefhebbers ziet zitten. Het zijn meer economen geworden. En ik ben ook eerlijk gezegd niet de netwerker die zijn kunstwerken aan de man brengt. Voor de kunst is het een heel middelmatige tijd. Als je met brons werkt, word je ook nog geconfronteerd met de huidige koper- dieven, waardoor opdrachtgevers extra voorzichtig worden. Daardoor dreigt het ambacht uit te sterven. Op de kunstacademies zitten al bijna geen vaklui meer, die nog weten hoe brons gegoten moet worden. Ze kunnen wel met een computer omgaan. Daarom is daar nu de trend om te werken met animatie en plastic. Van mij mag het, maar waar is het ambacht? Ook aan kunstacademies zitten nu economen aan de top, die weten niets van kunst. Ze zullen wel denken dat ik antiek ben.”
Spronken herinnert zich de tijd van schilder Aad de Haas, met wie hij bevriend was. „Hij was als een broer van mij. En hij had het oog van een arend. Charles Eyck heb ik ook goed gekend, een begaafde kunstenaar. Maar wel een jaloerse man, hij gunde ons jongere kunstenaars destijds weinig.”

Ook al is het een lastige tijd voor kunstenaars, toch is hij blij dat vrijwel al zijn kinderen en schoonkinderen ook die weg zijn op gegaan. „We zijn nu met elf en allemaal leveren we goede kwaliteit. De inspiratie blijft, ook bij mij. Ik sta nog elke dag op om met vreugde aan een beeld te kunnen gaan werken. Het perfecte beeld bestaat niet, dat is dood. De fouten maken het levendig. In de fantasie een beeld afmaken, daar komt het op aan. Dat maakt een beeld spannend. Ik heb het geluk dat de natuur mij een sterke gezondheid heeft gegeven. Als die minder wordt, is het gauw afgelopen, zeker voor een beeldhouwer.”

Hij heeft er geen spijt van dat hij zijn vleugels niet heeft uitgespreid en bijvoorbeeld nooit naar Amsterdam is verhuisd, zoals menige an- dere Limburgse kunstenaar. „Ik ben een jongen van het Limburgse land en gek op de heuvels hier. Als ik geen kunstenaar was geworden, dan waarschijnlijk boer. Dan ben je een stuk van de natuur, waar we alles van lenen. In Holland heerst nog te veel de mentaliteit van de slavenhandelaars. Ik hou van de typische cultuur in Limburg, al was die vroeger ook wel eens benauwend en wat klagerig. Maar hier op de berg merkte ik daar weinig van. Het was bijvoorbeeld vroeger lastig om als kunstenaar een naaktmodel te vinden. Dan ging ik naar Frankrijk, daar was de mentaliteit heel anders. Ik maakte in Neder- land mijn eerste naaktbeeld, terwijl ik nog nooit een naakte vrouw had gezien, dat kon toen niet anders. Ik heb altijd paarden en vrouwen gemaakt en daar zit een zekere overeenkomst in. Voor een beeldhouwer hebben ze dezelfde kont.”

Hoe hij als kunstenaar herdacht zou willen worden? Daar heeft hij nog niet over nagedacht. „Daar ben ik nog veel te jong voor. Als het zover is, dan zou ik zeggen: gooi er maar een schep grond over. En dat is het dan. Nou ja, misschien zou het wel nuttig zijn als mijn collectie voor Limburg behouden zou blijven, via een of andere stichting. Maar daar ga ik dan niet over.”

Lees ook