Hein Klarijn

// Ludo Diels

Auteur: Ludo Diels
Woensdag 15 november 2017

Hein Klarijn was stervende en ik kreeg aan zijn sterfbed de slappe lach. De man die in de kroeg geen kopstoot uit de weg ging en niet te vloeren leek met bier, wijn of jenever, was omgeven door fruitmanden. Uitgedoofd lag het drankorgel van weleer naar de perziken, mandarijnen en druiventrossen te kijken. Bijna verwijtend waren de ziekenhuisschotels met vers fruit rond zijn bed gezet. Op een schotel lag zowaar een kokosnoot. Hein keek ernaar en vond het afschuwelijk.

Die bijnaam Hein Klarijn had mijn dorpsgenoot natuurlijk niet zomaar gekregen. Neen, daar had hij hard voor gedronken. Elke dag dezelfde gang naar het café en ’s avonds zwalkend weer naar huis. Hein had een geregeld leven. Soms zong hij op straat een liedje. Met dubbele tong recht uit zijn hart. De laatste jaren was hij eerder somber gestemd. Dat zie je vaker bij drinkers. Hun gemoed blijft beneveld. Het klaart − alle Jonge Klare ten spijt − niet meer op. Ik vind die fruitmanden in het ziekenhuis een gotspe. Had maar wat vaker in een appel gebeten en minder in het glas gekeken, lijken ze te suggereren. Fruit staat voor onbedorven vitaliteit, gezondheid. Ik snap het allemaal, maar het slaat nergens op. Cadeaus zijn mijnenvelden. Zo kreeg ik ooit een boek over vriendschap als presentje van een dame met wie ik juist graag een stapje verder was gegaan dan vriendschap. Ik voelde me met de neus op de feiten gedrukt en zelfs beledigd. Bovendien bevatte het boek een aantal raadzame tips om een betere vriend te zijn. Alleen een golden retriever zou aan alle criteria hebben voldaan. Ik was, dat zag ik al op pagina één, geen geweldige vriend.

Een fout cadeau is één ding, een slecht kaartje erbij een ander. Hein Klarijn was stervende en op vrijwel elk kaartje bij de fruitmand of bos bloemen stond wel iets van ‘kop op, sterkte ermee’ of ‘Hein laat je niet kisten’. Doodgaan is al erg genoeg. Op een fruitschaal te lezen dat je moed moet houden, dat je moet doorbijten en je veel sterkte gewenst wordt, is in die omstandigheid zeker geen pretje. Wie doodgaat heeft niet genoeg zijn best gedaan, weerstand geboden. Alleen de slapjanus sterft. We houden niet van het lot, zoals veel filosofen uit de oudheid en haten het toeval. Ziekenhuisproza is zowaar nog erger dan de Readers Digest-diepzinnigheid die veel rouwkaarten bevatten. Ook daar kreeg Hein er nog een groot aantal van voor zijn kiezen. Gelukkig heeft hij die goedbedoelde onzinnigheid zelf niet meer kunnen lezen. Nergens is de ingewortelde behoefte om de patiënt een hart onder de riem te steken sterker dan in het ziekenhuis. En nergens is het verlangen om de dood te duiden groter dan op zo’n verdomd kleine kaart. We denken groot als het weinig ruimte in beslag neemt.

Ongemakkelijk is het natuurlijk wel om naar iemand toe te gaan die niet lang meer heeft. Zelf worstelde ik ook met een presentje voor Hein Klarijn. Een fles drank was een brug te ver, boeken interesseerden hem niet en een bos bloemen paste evenmin bij hem. Dus had ik winegums meegenomen. Daar val je nooit een buil aan. Onverschillig had hij ze aangenomen. ‘Snoep verstandig, eet een appel’, beet ik hem nog grappig bedoeld toe. Appels genoeg rond dit troosteloze ziekenhuisbed. Hij lachte zuinig. Hij hoopte op de zondeval. Was er maar iemand die hem zou verleiden. Ik was niet vriend genoeg om hem van dienst te zijn.

 
vorige artikel volgend artikel

Lees ook