Raamkijkers

Mevrouw Kleinjans wist precies welke buurman bij welke buurvrouw een kopje suiker had geleend

Auteur: Ludo Diels
Dinsdag 18 juli 2017

Een oud wijf, zo zou mijn vroegere ik mijn huidige ik met zekerheid typeren. Ik mag graag uit het raam kijken.

In de buurt van mijn jeugd werd ook veel uit het raam gekeken. Ik vroeg me als opgroeiende jongen af of die lui niets beters te doen hadden. Meestal waren het ouderen die zich vergaapten achter het venster. Af en toe zag je een jonger iemand uit het raam kijken. Ik hield ze goed in de gaten, die vensterkijkers. Zij mij ook. De wurggreep van het kijken en bekeken worden was in het dorp stevig. Eigenlijk keek iedereen. De tv zond pas in de avond uit. Het raam was het venster op onze tijd.

Het raam heeft me gevormd. Samen met opa en oma zagen we de nieuwe auto van de buren. Iedereen had er een mening over. De een vond hem mooi, de ander zag in de keuze van de kleur de wansmaak van de buren bevestigd en de meesten vroegen zich af waar buurman dat allemaal van betaalde. Mevrouw Kleinjans – God hebbe haar ziel – was het ergst van alle raamkijkers. Zij zag dingen die wij oppervlakkige kijkers niet zagen. Mevrouw Kleinjans dook de diepte van de verbeelding in. Ze wist van de hoed en de rand. Uren kon ze vertellen over het geruzie die de erfenis bij de buren teweeg had gebracht en dat dit uiteindelijk had geleid tot de aanschaf van de nieuwe auto. Ook wist mevrouw Kleinjans wie er allemaal een keer dronken waren geweest, hoe vaak de familie Robben de frituur frequenteerde en, nog veel interessanter, welke buurman bij welke buurvrouw een kopje suiker had geleend.

Kijken en bekeken worden. Het spel is zo oud als de mensheid. Ik hang nog steeds veel voor het raam. De trage gang van de stad, de onverwachte geluiden en de speling van het licht op de mij omringende gebouwen werken op mijn gemoed. Uit het raam kijken is als wachten bij de afhaalchinees terwijl de maanvis gedwee zijn parcours aflegt in het aquarium. Ik moet altijd moeite doen niet in slaap te vallen. Voor zo’n vis is die afgemeten waterbak zijn bestaan, denkt de aquariumfilosoof in mij. Hij is een gevangene zonder het te weten. Een vis zonder ambitie. Als de foeyonghai komt, ben ik bevrijd van mijn gedachten. De wereld weer in, nieuwe avonturen tegemoet.

Achter het raam ontstonden vroeger de bijnamen. Een man die qua uiterlijk veel gelijkenis vertoonde met cowboy Hoss werd d’r Bonanza genoemd. Zo hadden we ook een J.R. Ewing in het dorp, een ware Schimanski, Charles Bronson, door ons overigens aangeduid als Charles Brunssum, en heel veel kaalkoppige Kojaks. De plaatselijke kroegtijger die zo nu en dan een aria ten beste gaf, stond te boek als Fritz Wunderlich. Voor vrouwen was het raam genadevoller, althans dat meen ik me zo te herinneren.

Het raam was daarentegen genadeloos voor iedereen die een slepend been had, een foute broek droeg of een hond, steevast aangeduid als fök, uitliet die net zijn behoefte deed. Wat achter het vensterraam gezegd werd, was beslist niet voor de samenleving bestemd. En was het zo maar gebleven. Het raam bleek vergrootglas en geluidsdemper tegelijk.

De mensen die ik tegenwoordig bekijk ken ik in de regel niet. Dat schept een afstand, maar biedt ook de mogelijkheid om ze dagdromend waar te nemen, mijn eigen verhalen te verzinnen. Zelden wordt er naar boven gekeken. Het scherm trekt alle aandacht. Beoordeel wat zichtbaar is en respecteer wat verborgen is, zou de grote Goethe als leefregel hebben gehad. We leven op gespannen voet met de werkelijkheid. Het display is ons venster op de wereld geworden. Achter het raam maak ik mijn eigen verhalen. Daar mag de verbeelding nog meedoen. We zaten er vroeger vaak naast, achter dat raam. Maar er viel wel nog wat te lachen met al die ouwe wijven en hun wilde fantasieën. Ik blijf kijken. Daar kan geen Facebook tegenop.

Lees ook