"Babbi"

door Bianca Limpens

Zondag 9 maart 2014

Elke zondag publiceren we een gastblog onder de naam "De Stem van het Zuiden". Heb je zelf ook een leuke blog? Bekijk dan deze pagina en stuur jouw artikel op naar marketing@chapeaumagazine.com!

 

BABBI

Babbi kwettert de oren van ons hoofd. Zijn one-man show voert hij het liefst uit aan de eettafel, als het publiek gevangen zit en zijn revue niet kan ontlopen. Sommige “acts” hebben we al twintig keer gehoord. Babbi is mijn negentigjarige, guitige schoonvader. Hij woont bij ons in. We zitten aan het weekendontbijt. Zijn gesmak overstemt de praktische geluiden die bij een broodmaaltijd horen. Hij doet met volle mond Snip en Snap na en stoot een beker koffie om. Ik spring op om een doekje te halen. Babbi scheurt een pistoletje doormidden, bukt zich en gebruikt het broodhelftje als spons om de koffie van de vloer te deppen. Met een “zo opgelost” steekt hij het triomfantelijk in zijn mond. Ik lig in een deuk. Mijn tafelgenoten zwijgen stuurs. Ik ben dol op zijn humor.

Ons gezin kraakt onder het gewicht van de zorg om hem. Ik wil hem niet kwijt en hij wil niet weg. Sinds kort prijkt zijn naam op de wachtlijst van een zorginstelling. Voor de zekerheid. Mijn zorgende handen hebben geen medisch diploma en hij is hulpbehoevend. Slikkend annuleer ik mijn zakelijke opdrachten. Als zijn jokken of eigenwijsheid mij teveel wordt, loop ik een blokje om.

Elke woensdag gaat hij naar zien meidskes. Dat zijn de schatten van de dagbesteding in Klevarie, die hem liefdevol bijstaan. Op een dag belt zijn favoriete meidske mij op. Het gaat niet goed. Hij was stil tijdens de bingo en ze heeft de huisarts ingeschakeld. Ze ziet iets aan hem dat niet met een paracetamolletje valt op te lossen. Ik huil om haar opmerkzaamheid.

De ruimte rond Babbi’s kist vult zich met gesnik. Er is geveeg van zakdoeken. Zijn nageslacht weeklaagt. Dat ze hem vaker hadden willen opzoeken maar het zo druk hadden. En dat ze hem eigenlijk niet echt kenden. Ik kende hem wel en kus zijn wang. “Wie moet nu thuis de grapjes maken?”, fluister ik in zijn levenloze oor. “Goh, het is de eerste keer dat ik hem zie met zijn mond dicht”, merkt mijn dochter op. Als hij het kon horen, zou het zwarte marmer in de rouwkamer zijn bulderlach opvangen en het klaterend tegen de wanden laten verschellen. Ik vraag of ik zijn legergroene, wollen pet mag hebben. Het mag.

We begraven Babbi op een serene akker. De dag erna krijg ik een telefoontje. Het is de zorginstelling. Er is een plaatsje voor hem vrij.

Bianca Limpens

 

Lees ook